Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 15,90 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 10,50 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker.
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Bradyaritmie en verlengde atrioventriculaire geleidingstijd Start van de behandeling met etrasimod Voorafgaand aan de start van de behandeling met etrasimod dient bij alle patiënten een elektrocardiogram (ECG) te worden verkregen om te beoordelen op reeds bestaande hartafwijkingen. Bij patiënten met bepaalde, reeds bestaande aandoeningen, wordt bij de eerste dosis bewaking aanbevolen (zie hieronder). Na het herstarten van de behandeling na een onderbreking van 7 of meer opeenvolgende dagen, verdient het de aanbeveling het baseline ECG en/of monitoring te herhalen afhankelijk van de resultaten van de eerste evaluatie, verandering van patiëntkenmerken en duur van onderbreking. De start van de behandeling met etrasimod kan leiden tot een voorbijgaande verlaging van de hartslag en een verlengde atrioventriculaire geleidingstijd (zie rubriek 4.8 en 5.1). Voorzichtigheid is geboden bij patiënten die worden behandeld met een bètablokker vanwege mogelijk additieve effecten op verlaging van de hartslag. Vergelijkbare voorzichtigheid is geboden bij patiënten die calciumkanaalblokkers, geneesmiddelen die het QT-interval verlengen, klasse Ia en klasse III antiaritmica (zie rubriek 4.5) krijgen, omdat gelijktijdige toediening van deze middelen met etrasimod kan leiden tot additieve effecten. Afhankelijk van de hartslag in rust voorafgaand aan het starten van etrasimod kan tijdelijke stopzetting van de behandeling met bètablokkers nodig zijn (zie ook rubriek hieronder en rubriek 4.5). Indien stopzetting nodig wordt geacht, kan behandeling met een bètablokker hervat worden afhankelijk van de tijd die nodig is om de baseline hartslag te bereiken. Behandeling met een bètablokker kan gestart worden bij patiënten die stabiele doses etrasimod ontvangen. Voorafgaand aan de start van de behandeling met etrasimod dient advies van een cardioloog te worden verkregen om alle baten en risico's en de meest geschikte monitoringsstrategie te bepalen bij patiënten met de volgende aandoeningen: Significante QT-verlenging (QTcF ≥450 msec bij mannen, ≥470 msec bij vrouwen). Aritmieën waarvoor behandeling nodig is met anti-aritmica van klasse Ia of klasse III. Instabiele ischemische hartziekte, voorgeschiedenis van hartstilstand, cerebrovasculaire ziekte (optredend meer dan 6 maanden voorafgaand aan de start van de behandeling) of hypertensie die niet onder controle is. Voorgeschiedenis van symptomatische bradycardie, recidiverende cardiogene syncope of ernstige onbehandelde slaapapneu. Monitoring bij de eerste dosis bij patiënten met bepaalde reeds bestaande hartaandoeningen Vanwege het risico op voorbijgaande verlagingen van de hartslag bij de start van de behandeling met etrasimod wordt gedurende 4 uur na de eerste dosis bewaking in verband met klachten en verschijnselen van symptomatische bradycardie aanbevolen bij patiënten met een hartslag in rust van <50 bpm, een tweedegraads (type Mobitz-I) AV-blok of een voorgeschiedenis van myocardinfarct of hartfalen (zie rubriek 4.3). Tijdens deze periode van 4 uur dienen patiënten te worden gecontroleerd met elk uur meting van de pols en bloeddruk. Voorafgaand aan en aan het einde van deze 4 uur durende periode wordt een ECG aanbevolen. Aanvullende bewaking wordt aanbevolen bij patiënten indien na een periode van 4 uur: De hartslag <45 bpm is. De hartslag de laagste waarde heeft sinds de toediening, wat erop wijst dat de maximale verlaging van de hartslag mogelijk nog niet is opgetreden. Het ECG aanwijzingen vertoont van een nieuw beginnend tweedegraads of hoger AV-blok. Het QTc-interval ≥500 msec is. In deze gevallen dient een geschikte behandeling te worden geïnitieerd en dient de observatie te worden voortgezet totdat de symptomen en/of bevindingen zijn verdwenen. Indien een medische behandeling noodzakelijk is, dient de monitoring een nacht te worden voortgezet, en dient de monitoringsperiode van 4 uur na de tweede dosis etrasimod te worden herhaald. Infecties Risico op infecties Etrasimod veroorzaakt over een periode van 52 weken een gemiddelde afname van het aantal lymfocyten in perifeer bloed van 43 tot 55% van de uitgangswaarden, vanwege een reversibele sekwestratie van lymfocyten in lymfoïde weefsel (zie rubriek 5.1). Etrasimod kan daarom de gevoeligheid voor infecties verhogen (zie rubriek 4.8). Voorafgaand aan de behandeling dient een recent volledig bloedbeeld, waaronder lymfocytentelling (d.w.z. binnen de voorgaande 6 maanden of na stopzetting van eerdere behandeling voor CU), te worden verkregen. Beoordelingen van het volledige bloedbeeld worden ook periodiek tijdens de behandeling aanbevolen. Bij een absolute lymfocytentelling <0,2 x 10^9/l dient, indien bevestigd, de behandeling met etrasimod onderbroken te worden totdat de waarde >0,5 x 10^9/l bereikt, waarna opnieuw starten van de behandeling met etrasimod overwogen kan worden (zie rubriek 4.2). Het starten van de behandeling met etrasimod bij patiënten met een actieve infectie dient te worden uitgesteld totdat de infectie verdwenen is (zie rubriek 4.3). Patiënten dienen de instructie te krijgen symptomen van een infectie onmiddellijk bij hun arts te melden. Bij patiënten met symptomen van een infectie tijdens de behandeling dient een effectieve diagnostische en therapeutische aanpak ingezet te worden. Indien een patiënt een ernstige infectie ontwikkelt, dient onderbreking van de behandeling met etrasimod te worden overwogen. Aangezien farmacodynamische resteffecten, zoals verlagende effecten op de lymfocytenwaarde in perifeer bloed, kunnen aanhouden tot 2 weken na stopzetting van de behandeling met etrasimod, dient u deze hele periode waakzaam te blijven voor infecties (zie rubriek 5.1). Progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML) PML is een opportunistische virale infectie van de hersenen die wordt veroorzaakt door het John�Cunningham-virus (JCV). PML treedt gewoonlijk op bij patiënten met een verzwakt immuunsysteem, en kan leiden tot overlijden of ernstige invaliditeit. De typische symptomen van PML zijn divers, vertonen progressie over dagen tot weken, en omvatten progressieve zwakte aan één kant van het lichaam of onhandigheid, stoornissen van het gezichtsvermogen en veranderingen in het denken, het geheugen en oriëntatie die leiden tot verwardheid en persoonlijkheidsveranderingen. PML is gemeld bij patiënten met multipele sclerose die werden behandeld met andere sfingosine-1-fosfaat (S1P)-receptormodulatoren en ging gepaard met een aantal risicofactoren (bijv. immuungecompromitteerde patiënten, polytherapie met immunosuppressiva). Artsen dienen waakzaam te zijn voor klinische symptomen of onverklaarde neurologische bevindingen die kunnen wijzen op PML. Indien PML wordt vermoed, dient de behandeling met etrasimod tijdelijk te worden gestaakt totdat PML is uitgesloten door middel van een geschikte diagnostische evaluatie. Indien PML is bevestigd, dient de behandeling met etrasimod te worden gestaakt. Eerdere en gelijktijdige behandeling met antineoplastische, immuunmodulerende en niet-corticosteroïde immunosuppressieve therapieën In klinische onderzoeken mochten patiënten die etrasimod kregen geen gelijktijdige behandeling met antineoplastische, immuunmodulerende of niet-corticosteroïde immunosuppressieve therapieën voor de behandeling van CU krijgen. In klinische onderzoeken was gelijktijdig gebruik van corticosteroïden toegestaan. De gegevens over langdurig gelijktijdig gebruik van etrasimod en corticosteroïden zijn echter beperkt (zie rubriek 5.1). Voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdige toediening van etrasimod en antineoplastische, immuunmodulerende of immunosuppressieve therapieën (waaronder corticosteroïdtherapieën) aan patiënten, vanwege het risico op additieve effecten op het immuunsysteem tijdens een dergelijke therapie (zie rubriek 4.5). Houd bij het overschakelen van immunosuppressieve therapieën naar etrasimod rekening met de duur van de effecten en het werkingsmechanisme om onbedoelde additieve effecten op het immuunsysteem te vermijden. Mogelijk dient een gepaste wash-outperiode te worden toegepast. Vaccinaties Er zijn geen klinische gegevens beschikbaar over de veiligheid en werkzaamheid van vaccinaties bij patiënten die etrasimod innemen. Het is mogelijk dat vaccinaties minder effectief zijn, indien ze tijdens behandeling met etrasimod worden toegediend. Indien immunisaties met levende-verzwakte vaccins noodzakelijk zijn, dienen ze ten minste 4 weken voorafgaand aan de start van de behandeling met etrasimod te worden toegediend. Vermijd het gebruik van levend-verzwakte vaccins tijdens en ten minste 2 weken na de behandeling met etrasimod (zie rubriek 5.1). Het wordt aanbevolen om voorafgaand aan de start van de behandeling met etrasimod immunisaties in overeenstemming te brengen met de huidige immunisatierichtlijnen. Leverschade Verhogingen van aminotransferasen kunnen optreden bij patiënten die etrasimod krijgen (zie rubriek 4.8). Voorafgaand aan de start van de behandeling met etrasimod dienen recente transaminasen- en bilirubinewaarden (d.w.z. binnen de voorgaande 6 maanden) beschikbaar te zijn. Indien er geen klinische symptomen zijn, dienen de levertransaminasen- en bilirubinewaarden te worden gecontroleerd in maand 1, 3, 6, 9 en 12 tijdens de behandeling en periodiek na de behandeling. Patiënten die symptomen krijgen die kunnen wijzen op leverschade, zoals onverklaarde misselijkheid, braken, buikpijn, vermoeidheid, anorexie of geelzucht en/of donkere urine, dienen hun leverenzymen te laten controleren. De behandeling met etrasimod dient te worden gestaakt indien significante leverschade wordt bevestigd (bijvoorbeeld alanineaminotransferase (ALAT) meer dan driemaal de bovengrens van normaal (ULN, upper limit of normal) en totaal bilirubine meer dan tweemaal de ULN). Of de behandeling hervat wordt, hangt af van vaststelling van een eventuele andere oorzaak van de leverschade en van de voordelen voor de patiënt van hervatting van de behandeling met etrasimod t.o.v. het risico op terugkeren van leverschade. Hoewel er geen gegevens zijn om vast te stellen dat patiënten met een reeds bestaande leverziekte een verhoogd risico hebben op het ontstaan van verhoogde leverfunctietestwaarden als ze etrasimod innemen, is voorzichtigheid geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van een significante leverziekte. Verhoogde bloeddruk In klinische onderzoeken werd hypertensie vaker gemeld bij patiënten die werden behandeld met etrasimod dan bij patiënten die met placebo werden behandeld (zie rubriek 4.8). Tijdens de behandeling met etrasimod dient de bloeddruk te worden gecontroleerd en zonodig op een geschikte manier te worden behandeld. Vrouwen die zwanger kunnen worden Gebaseerd op dieronderzoek kan etrasimod schade aan de foetus veroorzaken (zie rubriek 4.6 en 5.3). Vanwege het risico voor de foetus is etrasimod gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap en bij vrouwen die zwanger kunnen worden en geen effectieve anticonceptie gebruiken (zie rubriek 4.3 en 4.6). Voorafgaand aan de start van de behandeling dienen vrouwen die zwanger kunnen worden te worden geïnformeerd over dit risico voor de foetus, moeten ze een negatieve zwangerschapstest hebben en moeten ze effectieve anticonceptie gebruiken tijdens de behandeling en gedurende ten minste 14 dagen na stopzetting van de behandeling (zie rubriek 4.6). Macula-oedeem S1P-receptormodulatoren, waaronder etrasimod, zijn in verband gebracht met een verhoogd risico op macula-oedeem. Macula-oedeem met of zonder visuele symptomen is gemeld bij 0,3% van de patiënten die behandeld werden met Velsipity. Patiënten met een voorgeschiedenis van diabetes mellitus, uveïtis en/of een onderliggende/gelijktijdig bestaande retinaziekte, hebben tijdens de behandeling met etrasimod een verhoogd risico op macula�oedeem (zie rubriek 4.8). Het wordt aanbevolen dat deze patiënten voorafgaand aan de start van de behandeling met etrasimod een oogheelkundige beoordeling ondergaan en tijdens de behandeling vervolgbeoordelingen laten uitvoeren. Bij patiënten zonder de bovengenoemde risicofactoren wordt een oogheelkundige beoordeling van de fundus, waaronder de macula, aanbevolen binnen 3-4 maanden na het starten van de behandeling met etrasimod (gemelde gevallen met etrasimod kwamen binnen dit tijdsbestek voor) en als er tijdens het gebruik van etrasimod een verandering van het gezichtsvermogen is. Patiënten met visuele symptomen van macula-oedeem dienen te worden geëvalueerd en de behandeling met etrasimod dient in het geval van bevestiging te worden gestaakt. Bij een beslissing of na het verdwijnen van deze symptomen opnieuw met etrasimod gestart dient te worden, moet rekening worden gehouden met de mogelijke voordelen en risico's voor de individuele patiënt. Maligniteiten Gevallen van maligniteiten (waaronder cutane maligniteiten) zijn gemeld bij patiënten die werden behandeld met S1P-receptormodulatoren. Indien een verdachte huidlaesie wordt waargenomen, dient deze onmiddellijk te worden beoordeeld. Aangezien er een mogelijk risico op maligne huidtumoren bestaat, dienen patiënten die worden behandeld met etrasimod te worden gewaarschuwd voor blootstelling aan zonlicht zonder bescherming. Deze patiënten mogen geen gelijktijdige fototherapie met UV-B-straling of PUVA�fotochemotherapie krijgen. Posterieur reversibel encefalopathiesyndroom (PRES) Zeldzame gevallen van PRES zijn gemeld bij patiënten die S1P-receptormodulatoren kregen. Indien een met etrasimod behandelde patiënt neurologische of psychiatrische symptomen/verschijnselen (bijv. cognitieve stoornissen, gedragsveranderingen, corticale visuele stoornissen of andere neurologische corticale symptomen/verschijnselen), symptomen/verschijnselen die wijzen op een verhoging van de intracraniale druk, of versnelde neurologisch achteruitgang ontwikkelt, dient de arts onmiddellijk een volledig lichamelijk en neurologisch onderzoek in te plannen en een MRI te overwegen. Symptomen van PRES zijn gewoonlijk omkeerbaar, maar kunnen evolueren naar een ischemische beroerte of cerebrale bloeding. Vertraging in de diagnose en behandeling kan leiden tot blijvende neurologische restverschijnselen. Indien PRES wordt vermoed, dient de behandeling met etrasimod te worden gestaakt. Interactie met andere geneesmiddelen, CYP2C9-polymorfisme Etrasimod dient niet gelijktijdig toegediend te worden met een therapeutisch middel of een combinatie van middelen die matige tot sterke remmers van twee of meer van de volgende CYP-enzymen (CYP2C8, CYP2C9 en CYP3A4) zijn, vanwege het risico op een verhoogde blootstelling aan etrasimod (zie rubriek 4.5). Het gebruik van etrasimod wordt niet aanbevolen bij gelijktijdige toediening met een therapeutisch middel of een combinatie van middelen die matige tot sterke inductoren van twee of meer van de volgende CYP-enzymen (CYP2C8, CYP2C9 en CYP3A4) zijn, vanwege het risico op een verlaagde blootstelling aan etrasimod (zie rubriek 4.5). Het gebruik van etrasimod wordt niet aanbevolen bij patiënten van wie bekend is of van wie vermoed wordt dat ze trage metaboliseerders van CYP2C9 zijn (<5% van de populatie) en die geneesmiddelen gebruiken die matige of sterke remmers van CYP2C8 en/of CYP3A4 zijn vanwege het gevaar van toegenomen blootstelling aan etrasimod (zie rubriek 4.5). Effecten op de ademhaling Afnames van het absolute geforceerde expiratoir volume gedurende 1 seconde (FEV1, forced expiratory volume) en de geforceerde vitale capaciteit (FVC, forced vital capacity) werden waargenomen bij patiënten die werden behandeld met S1P-receptormodulatoren, waaronder etrasimod. Etrasimod dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een ernstige ademhalingsaandoening (bijv. longfibrose, astma en chronische obstructieve longziekte). Hulpstoffen Tartrazine Dit geneesmiddel bevat tartrazine (E102), dat allergische reacties kan veroorzaken. Natriumgehalte Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
Velsipity bevat de werkzame stof etrasimod die behoort tot een groep geneesmiddelen die bekend staat als sfingosine-1-fosfaatreceptormodulatoren.
Velsipity is geïndiceerd voor de behandeling van volwassenen en jongeren van 16 jaar en ouder met matig tot ernstig actieve colitis ulcerosa (CU). Colitis ulcerosa is een ontstekingsziekte van de dikke darm. Als u colitis ulcerosa heeft, zal u eerst andere geneesmiddelen hebben gekregen. Als u niet goed genoeg reageert op deze geneesmiddelen of ze niet kunt gebruiken, is het mogelijk dat u Velsipity krijgt om de klachten en verschijnselen van deze ziekte te verminderen.
De werkzame stof van Velsipity, etrasimod, voorkomt dat lymfocyten (een type witte bloedcel) vanuit de lymfeklieren (een deel van het immuunsysteem van het lichaam dat lymfocyten bevat) in het bloed komen. Deze lymfocyten zijn betrokken bij de ontsteking die in verband wordt gebracht met de ontwikkeling van colitis ulcerosa. Door het aantal lymfocyten dat in het bloed circuleert rond de dikke darm te verminderen, helpt etrasimod de darmontsteking en de symptomen die met de ziekte gepaard gaan, te verminderen.
Tabletkern
Magnesiumstearaat (E470b), mannitol (E421), microkristallijne cellulose (E460i), natriumzetmeelglycolaat (type A)
Tabletomhulling
Briljantblauw FCF aluminiumlak (E133), indigokarmijn aluminiumlak (E132), tartrazine aluminiumlak (E102), macrogol 4000 (E1521), poly(vinylalcohol) (E1203), talk (E553b), en titaandioxide (E171)
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Effect van remmers van CYP2C8, CYP2C9 en CYP3A4 op etrasimod Gelijktijdige toediening van etrasimod met steady-state fluconazol (matige CYP2C9- en CYP3A4-remmer) verhoogde de blootstelling (AUC) aan etrasimod met 84%. Gelijktijdige toediening van etrasimod met een therapeutisch middel of een combinatie van middelen die matige tot sterke remmers van twee of meer van de volgende CYP-enzymen (CYP2C8, CYP2C9en CYP3A4) zijn (bijv. fluconazol, verhoogt de blootstelling aan etrasimod en wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.4). Effect van inductoren van CYP2C8, CYP2C9 en CYP3A4 op etrasimod Gelijktijdige toediening van etrasimod met rifampicine (sterke CYP3A4-, matige CYP2C8- en CYP2C9-inductor) verlaagde de blootstelling (AUC) aan etrasimod met 49%. Gelijktijdige toediening van etrasimod met een therapeutisch middel of een combinatie van middelen die matige tot sterke inductoren van twee of meer van de volgende CYP-enzymen (CYP2C8, CYP2C9 en CYP3A4) zijn (bijv. rifampicine, enzalutamide), verlaagt de blootstelling aan etrasimod en wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.4). Effect van CYP2C9-polymorfisme Vanwege de kans op een verhoogde blootstelling aan etrasimod, wordt gelijktijdige toediening van etrasimod bij patiënten van wie bekend is of van wie vermoed wordt dat ze trage metaboliseerders van CYP2C9 zijn (<5% van de populatie) en die geneesmiddelen gebruiken die matige of sterke remmers van CYP2C8 en/of CYP3A4 zijn, niet aanbevolen (zie rubriek 4.4). Bètablokkers en calciumkanaalblokkers Het starten met een bètablokker tijdens een stabiele behandeling met etrasimod is niet onderzocht. Het effect van gelijktijdige toediening van etrasimod en een calciumkanaalblokker is niet onderzocht. Vanwege mogelijke additieve effecten op verlaging van de hartslag is voorzichtigheid geboden bij patiënten die geneesmiddelen krijgen die de hartslag of de atrioventriculaire geleiding vertragen (zie rubriek 4.4). Antiaritmica, geneesmiddelen die het QT-interval verlengen, geneesmiddelen die de hartslag kunnen verlagen Etrasimod is niet onderzocht bij patiënten die geneesmiddelen gebruiken die het QT-interval verlengen.
4.8 Bijwerkingen
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Ernstige bijwerkingen Vertel het uw arts onmiddellijk als u een van de hieronder vermelde bijwerkingen, die ernstig kunnen worden, opmerkt:
Vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers) bradycardie (trage hartslag) hypertensie (hoge bloeddruk) urineweginfectie (infectie van de delen van het lichaam die de urine verzamelen en uitscheiden) infectie van de onderste luchtwegen of longen
Soms (komen voor bij minder dan 1 op de 100 gebruikers) atrioventriculair blok (een type hartritmestoornis) macula-oedeem (zwelling van de macula, het centrale deel van de retina achterin het oog)
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Vrouwen die zwanger kunnen worden/anticonceptie bij vrouwen Velsipity is gecontra-indiceerd bij vrouwen die zwanger kunnen worden en geen effectieve anticonceptie toepassen (zie rubriek 4.3). Daarom moet voorafgaand aan de behandeling bij vrouwen die zwanger kunnen worden een negatief zwangerschapstestresultaat beschikbaar zijn en dient voorlichting te worden gegeven over het ernstige risico voor de foetus. Vanwege de tijd die het duurt om etrasimod uit het lichaam te verwijderen na stopzetting van de behandeling, kan het mogelijke risico voor de foetus blijven bestaan en moeten vrouwen die zwanger kunnen worden effectieve anticonceptie gebruiken tijdens de behandeling met etrasimod en gedurende 14 dagen na de behandeling (zie rubriek 4.4). In de checklist voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg zijn ook specifieke maatregelen opgenomen. Deze maatregelen moeten worden getroffen voordat etrasimod aan vrouwen wordt voorgeschreven en tijdens de behandeling. Zwangerschap Er is een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van etrasimod bij zwangere vrouwen. Uit dieronderzoek is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Klinische ervaring met een andere sfingosine-1-fosfaat-receptormodulator geeft aan dat het risico op ernstige congenitale misvormingen bij toediening tijdens de zwangerschap tweemaal hoger is dan het percentage dat wordt waargenomen in de algemene bevolking. Op basis van ervaring bij mensen zou etrasimod congenitale misvormingen kunnen veroorzaken wanneer toegediend gedurende het eerste trimester van de zwangerschap. De beperkte hoeveelheid beschikbare gegevens bij mensen voor etrasimod suggereert ook een toegenomen risico op afwijkende zwangerschapsuitkomsten. Daarom is Velsipity gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap (zie rubriek 4.3). Het gebruik van etrasimod dient ten minste 14 dagen vóór een geplande zwangerschap te worden stopgezet (zie rubriek 4.4). Indien een vrouw tijdens de behandeling zwanger wordt, moet het gebruik van etrasimod onmiddellijk worden stopgezet. Er dient medisch advies over het risico op schadelijke effecten van de behandeling op de foetus te worden gegeven en er dienen vervolgonderzoeken te worden uitgevoerd. Borstvoeding Het is niet bekend of etrasimod in de moedermelk wordt uitgescheiden. Uit een onderzoek bij drachtige ratten blijkt dat etrasimod in de moedermelk wordt uitgescheiden (zie rubriek 5.3). Risico voor pasgeborenen/zuigelingen kan niet worden uitgesloten. Velsipity mag niet worden gebruikt in de periode dat borstvoeding wordt gegeven. Vruchtbaarheid Het effect van etrasimod op de vruchtbaarheid van de mens is niet geëvalueerd. In dieronderzoek werden geen nadelige effecten op de vruchtbaarheid waargenomen (zie rubriek 5.3).
| CNK | 4694204 |
|---|---|
| Organisaties | Pfizer |
| Merken | Pfizer |
| Breedte | 50 mm |
| Lengte | 145 mm |
| Diepte | 50 mm |
| Actieve ingrediënten | etrasimod arginine |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |