Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 0,00 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 0,00 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker.
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Behalve wanneer ze op een adequate manier verdund worden, kunnen hypertonische oplossingen die via een infusie in een perifere ader worden toegediend, een irritatie of schade aan de ader en een trombose veroorzaken. De sterk hypertonische oplossingen moeten enkel toegediend worden met behulp van een veneuze katheter die centraal in een ader van groot kaliber aangebracht is (zoals de bovenste venae cavae). Hypertonische glucoseoplossingen moeten met voorzichtigheid toegediend worden bij diabetespatiënten, alsook bij patiënten die overgevoelig zijn aan gluciden, ongeacht de oorsprong ervan, waarbij men zorgvuldig moet waken over de glycemie en de glycosurie en de posologie van de insuline of andere bloedsuikerverlagende geneesmiddelen eventueel moet aanpassen. In geval van een ischemische aanval, kan de hyperglycemie de neurologische schade versterken. Meerdere onderzoekers raden trouwens aan om geen glucoseoplossingen te gebruiken bij de patiënten met een risico van cerebrale ischemie, een aanval, een imminente hartstilstand of een ernstige hypotensie, tenzij een hypoglycemie vastgesteld werd. Als de toediening van een sterk hypertonische glucoseoplossing bruusk stopgezet wordt, moet 50 of 100mg/ml glucose toegediend worden om een reactie van hypoglycemie te vermijden. Bij een verlengde parenterale voeding, kan glucose de insulineproductie aantasten. Om dit potentieel ongewenst effect te vermijden en het risico van hyperglycemie en dus van glycosurie te minimaliseren, kan het nuttig zijn insuline aan de infusie toe te voegen. De hypertonische glucoseoplossingen moeten met voorzichtigheid toegediend worden bij patiënten met hartdecompensatie of een deficiënte nierfunctie, want dan bestaat er risico van dehydratatie. De tolerantie van glucose kan afnemen bij een nierinsufficiëntie. Bij de toediening van hypertonische oplossingen moet men bijzonder opletten om niet buiten de ader te injecteren (extravasatie). De snelheid van de infusie moet gecontroleerd worden en mag een (maximum) hoeveelheid van 0,5 g watervrije glucose per minuut niet overschrijden vanwege het risico dat zich een hyperglycemie, een glycosurie en een hyperosmolair syndroom zou ontwikkelen. Bij een verlengde behandeling en bij de patiënten bij wie dat gerechtvaardigd is, moeten de elektrolytische waarden van het bloed (magnesium, fosfaat, kalium, sodium) en de zuur-base waarden regelmatig gecontroleerd worden, alsook de glycemie en indien nodig moeten deze parameters gecorrigeerd worden. In aanwezigheid van een natriumdepletie, kan de toediening van een glucoseoplossing zonder natrium een perifere collapsus en een oligurie veroorzaken. Het is raadzaam om geen totaal bloed via dezelfde aderlijn toe te dienen vanwege het risico van pseudo�agglutinatie. Het is ook aanbevolen om geen oplossingen toe te dienen als ze niet helder zijn of als ze zichtbare deeltjes bevatten. Er bestaat in het algemeen een risico van irritatie of van necrose op de plaats van de injectie of van tromboflebitis in geval van te snelle of langdurige toediening, of bij injectie van een te groot volume.
Therapeutische indicaties De hypertonische glucoseoplossingen zijn aangewezen: Als bron van calorieën, onder meer in de parenterale voeding; Bij profylaxis en behandeling van ketose (te hoog ketonengehalte in het bloed) in toestanden van ondervoeding; Als spoedbehandeling bij te lage suikergehaltes in het bloed (acute hypoglycemie).
Welke stoffen zitten er in Glucose Sterop? Het werkzaam bestanddeel is : Glucose 100 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 110 mg/ml). Glucose 200 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 220 mg/ml). Glucose 300 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 330 mg/ml). Glucose 500 mg/ml (in vorm of glucose monohydraat 550 mg/ml).
Het ander bestanddeel is water voor injectie.
Bij diabetespatiënten kan de suikerverhogende actie van de hypertonische oplossingen van GLUCOSE�STEROP een aanpassing vergen van de dosis insuline of elk ander geneesmiddel met invloed op de glycemie.
Zoals elk geneesmiddel kan Glucose Sterop bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Glucose kan gewoonlijk toegediend worden met een snelheid van 0,5 g/Kg en per uur zonder glucosurie te veroorzaken. Er kan zich evenwel een overmaat aan suiker in het bloed (hyperglycemie) en een glycosurie voordoen bij een massieve of te snelle intraveneuze toediening of in geval van metabolische insufficiëntie. Als deze verschijnselen niet behandeld worden, kunnen ze tot een dehydratatie leiden, tot een hyperosmolaire coma (door een teveel aan opgeloste elementen in het bloed) en zelfs tot de dood. De adequate behandeling bestaat onder meer in het verminderen van de infusiesnelheid en in het toedienen van insuline.
Er kunnen zich ook andere ongewenste reacties voordoen, afhankelijk van de toedieningstechniek, zoals infectie op de plaats van de inspuiting, koorts, adertrombose of flebitis die zich uitstrekt vanop de plaats van de inspuiting, extravasatie (inspuiting buiten de ader) en, bij een te snelle toediening, plaatselijk pijn en, in zeldzame gevallen, irritatie van de ader.
Grote hoeveelheden glucose, toegediend langs intraveneuze weg, kunnen leiden tot een verhoogde vrijgave van histamine door de cellen in het bloed aanwezig en kunnen zo leiden tot anafylactoïde (van allergische aard ) reacties. Dit effect kan meer uitgesproken zijn bij overgevoelige diabetespatiënten of bij patiënten die behandeld worden met beta-blokkers.
Als zich in de loop van de toediening een ongewenst effect voordoet, moet de toediening onmiddellijk stopgezet worden, moet de patiënt onderzocht worden en moeten indien nodig adequate therapeutische maatregelen genomen worden.
• Hyperglycemie.
• Diabetische coma.
• Ongecontroleerde diabetes.
• Anurie.
• Delirium tremens met ernstige dehydratie of gelijk welke andere toestand van ernstige dehydratie.
• Intracraniale of intraspinale hemoragie.
• Cerebrale ischemische vasculaire accidenten.
• Neurochirurgisch ingreep.
• Hyponatremie.
• Hypokaliëmie.
• Hypervolemie.
• Waterintoxicatie (hyperhydratie).
• Hyperosmolaire coma.
• Lactacidose.
• Nierinsufficiëntie.
Er bestaan geen tegenaanwijzingen voor het gebruik van deze hypertonische glucoseoplossingen tijdens de zwangerschap of tijdens het geven van borstvoeding. Niettemin is het aanbevolen om de toediening van glucose onmiddellijk voor de bevalling te beperken vanwege het feit dat een forse toediening van glucose gekoppeld werd aan een verhoogde zuurtegraad van het bloed van de foetus, alsook aan een te hoog insulinegehalte en een te laag suikergehalte bij de pasgeborene.
De oplossing is toegediend door trage intraveneuze infusie.
In het algemeen hangt de posologie af van de leeftijd, het gewicht, de klinische conditie en het hydro-elektrolytisch en zuur-base evenwicht van de patiënt.
De glucosegehalten in het bloed moeten tijdens de behandeling nauwlettend gevolgd worden en de maximale snelheid van de toediening wordt geraamd op 500 tot 800 mg per Kg en per uur.
De toediening van hypertonische glucoseoplossingen moet gebeuren door een trage intraveneuse infusie in een centrale ader.
De meer geconcentreerde oplossingen zijn viskeuzer en irriterend voor de aders. De minder geconcentreerde oplossingen zijn even efficiënt en minder irriterend, maar vereisen het gebruik van grotere volumes.
In de parenterale voeding: De hoeveelheid toe te voegen glucose zal afhankelijk zijn van het beoogd calorisch evenwicht (1 g glucose komt overeen met ongeveer 3,8 kcal of 16kJ). De parenterale voeding gebeurt door een trage en regelmatige infusie over 24 uur. Het debiet van de infusie mag een volume dat overeenkomt met 0,5 g glucose per minuut niet overschrijden.
In geval van een ernstige hypoglycemie: Bij de volwassene: De gebruikelijke dosis bedraagt 20 tot 50 ml van een oplossing van 500mg/ml in een trage intraveneuze infusie (bv. 3 ml/min) in een centrale ader. Deze dosis zal indien nodig herhaald worden en in de ernstige gevallen kan een ondersteunende behandeling vereist zijn.
Bij het kind: Pasgeborene of zuigeling :
De gebruikelijke dosis bedraagt 2 ml/kg glucoseoplossing met 100 mg/ml of 200 mg/ml per trage intraveneuse infusie in een centrale ader. In de ernstige gevallen kan deze dosis verhoogd of herhaald worden; of kan er een infuus met 100 mg/ml ingesteld worden om zodoende het glucosegehalte in het bloed op peil te houden.
Kind :
In de ernstige gevallen kunnen dosissen gaande tot 10 of 20 ml glucoseoplossing met 200 mg/ml of 300 mg/ml nodig zijn per trage intraveneuse infusie in een centrale ader. Nadien kan een infuus met 100 mg/ml ingesteld worden om zodoende het glucosegehalte in het bloed op peil te houden.
Gebruik Glucose Sterop altijd precies zoals uw arts of apotheker u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste gebruik? Neem dan contact op met uw arts of apotheker.
| CNK | 2179463 |
|---|---|
| Organisaties | Sterop group |
| Merken | Sterop |
| Breedte | 114 mm |
| Lengte | 294 mm |
| Diepte | 43 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 10 |
| Actieve ingrediënten | glucose |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |